Fin del Romance

16 juli 2018

Vier jaar geleden had ik op de kaart van Altea en omstreken een manege gevonden. Die werd per auto gevonden en op de terugweg viel mijn oog op een zeer stoffige bosschage.

Er was niet echt een plek om de huurauto te parkeren en dus vandaag maar eens te voet op verkenning.

De auto stond netjes geparkeerd om een parkeerplek naast de openbare weg. Een bordje met opschrift Cami wijst naar het met stenen bezaaide weggetje.

Zo rond de klok van acht uur is het er nog niet loeiheet en het stof waait op bij een stevige ochtendbries. Na een kwartiertje, schat ik zo in, sta ik wederom oog in oog met het onder bestoven stukje landgoed met enkele bomen en bosjes.

De dennenappelen aan de bomen lijken ondergedompeld te zijn geweest in een papje van wittige klei. Ik neem de tijd om het tafereel vast te leggen op de gevoelige fullframe beeldsensor.

Er komt een Cami aan. Van mijn licht getinte huidje is weinig meer over als de vrachtwagen voorbij is en de bomen hebben er weer een laagje stof bij.

Ik stap van het pad af en betreed het terrein. Er zijn nog geen drie stappen gezet of ik ontdek iets wits op de grond. Het is geen steen. Het is geen takje. Het is geen kapotte bierfles en al evenmin een afgedankte bank die men bij gebrek aan een vuilstort met regelmaat ergens langs een verloren gewaand pad deponeert.

Het is ongeveer tien centimeter breed en vier centimeter hoog. Het lijken wel gestileerde vleugels.

Nu had biologie op de middelbare school nu niet bepaald mijn meeste aandacht. De leraar weigerde pertinent het hoofdstuk over de voortplanting van de mens te behandelen en had meer oog voor ontkiemde erwtjes in een reageerbuisje. Het boeide mij niet, maar nu dus een probleem.

Wat lag daar toch aan mijn voeten? Toen ik verder in de rondte keek ontdekte ik identieke exemplaren en sommige met een iets andere vorm. Het kon bijna niet missen, ik stond te turen naar ruggenwervels.

De natuur had ze keurig ontdaan van alles wat maar verteerbaar was. Daar sta ik dan in een soort van niemandsland bij een vervallen huis waarvan enkel de fundering en een enkel muurtje nog zichtbaar zijn, te turen naar de resten van ooit een levend wezen.

Sta ik op een plaats delict? Had ik toch een studie bij het NFI moeten doen? Moet ik de Police Local bellen? En waarom hebben mijn schoenen zo een opvallend profieltje, alsof mijn handtekening in maat 45 hier overal getekend staat?

Ik vervolg mijn weg over het doodse terrein. Na enkele tientallen meters ontdek ik botten, van een been of een arm, een poot misschien. Ik ga verder maar ga steeds voorzichter lopen. Telkens als ik mij verplaats ritselt er iets op een meter afstand. Sta ik stil, dan gebeurd er niets. Ik wacht. Geen geluid. Zet weer een stapje. Weer geritsel. Ik stop. Het is doodstil.

Makkelijk hoor een multifocale bril als je wilt lezen, maar niet als het beeld bij je voeten helder in beeld dient te verschijnen. Ik blijk telkens op het einde van een twee meter lange palmtak te staan. Die wordt ietsje gelift en veroorzaakt het geritsel tussen de verder vooral vele dennennaalden, die de rest van de dorre tak aan het zicht onttrekken.

Opgelucht ga ik verder. Ik durf mijn rugtas even op de grond te zetten. Tijd voor wat foto's met een infrarood filter voor een nog desolatere aanblik.

Er passeert weer een vrachtwagen afgeladen met enorme stenen. Het stuift. Als de lucht weer helderblauw kleurt sta ik plots oog in oog met een schedel. Aan weerszijden een horentje. Ik had eigenlijk nooit geweten hoe een dergelijk uitsteeksel op zijn plaats blijft zitten.

Het blijkt zo te zien een spriet waaraan een flinke klomp die 'ondervels' precies past in de holte van de schedel. Ik meen ondanks mijn beperkte kennis van de anatomie van doen te hebben met de resten van een geit of bok.

Het beest moet destijds uit de lucht zijn komen vallen of heeft wijdbeens zijn laatste adem uitgeblazen, de resten van de voorpoten lijken dit te bewijzen.

Dat hier iets crimineels heeft plaatsgevonden sluit ik uit, tenzij de beesten verwaarloosd waren natuurlijk, maar daarvoor geen bewijs gevonden.

Er liggen wel heel veel videobanden. Het medium van meer dan twintig jaren geleden waarmee met de juiste apparatuur een film te zien was. Tussen alle kale plastic videohoezen ontdek ik nog maar een titel: El fin del Romance.

Ik laat de bouwval en de dode beesten voor wat ze zijn en ga verder in oostelijke richting. Al snel stuit ik op een bordje met opschrift: Puente en ruinas. Laat ik nu zojuist gedacht te hebben de ruine al gehad te hebben. De stoffige weg voert opeens langs fraaie roze bloempjes die door al het stof nu in de kleurstelling oudroze verder bloeien.

Het is warmer, ja zelfs heter en de meegenomen waterfles blijkt ook leeg te kunnen. Jaren geleden eens ontdekt dat sinaasappelen uit het wild ook dorstlessers zijn en dus verheugd als ik een paar boompjes ontdek met oranje citrusvruchten. Ze zijn echter ongeveer tien meter lager dan waar ik sta.

Het kronkelende pad gaat verder naar beneden en dat is tevens de oplossing voor het niveau probleem. Al hier blijkt het een lokale volkssport te zijn om sinaasappelen zo te werpen dat ze op een boomtak blijven liggen. Geen idee hoe de Catalanen het hier flikken, maar in twee gevallen is het gelukt.

Ik het boomgaardje in. Het merendeel van de vruchten is sterk ingedroogd. De oogst ziet er niet uit. Een boompje in de schaduw heeft in het midden nog een op het eerste gezicht alleraardigst exemplaar. De schil laat makkelijk los. Een voorzichtig hapje. Weer een ervaring rijker, maar met een zuur gezicht keer ik huiswaarts. El fin del Romance.