Steenkool

22 juli 2018

Volgens mij ben ik een zwendeltje op het spoor. Het Spaanse land is bezaaid met stenen. Grote jongens, kleine jongens. Door het water glad geworden en grillige exemplaren.

Gisteren zag ik op een informatiebord in de buurt van het pad naar de vuurtoren dat de vorm van de heuvels is ontstaan door erosie. Het was ooit een berg die in twee etappes in elkaar is gezakt.

Als ik die steenmassa zo zie vanaf het terras waar ik dit verhaaltje schrijf kan ik het mij nauwelijks voorstellen. Het zal dan ook wel een tijdje geleden gebeurd zijn. In ieder geval nog voor de vuurtoren er is gebouwd want die stond pas op verklarende tekening nummer twee.

Wat moet je eigenlijk met al die steentjes moet een slimme zakenman in het Spaanse plaatsje Zamora hebben gedacht. De man in kwestie is kolenboer. Niet de exemplaren waar kachels mee gevoed werden, maar van verkoolde resten van boomstammen en stevige takken. Ideaal spul om een stukje vlees boven te roosteren.

Vreemd eigenlijk dat er dus bedrijven zijn die baat hebben bij bosbranden. De Spaanse overheid doet er echt alles aan om bosbranden te voorkomen. Zo hoorde ik op de radio, die na elke bocht om een bergje van zender verschiet, dat er speciaal voor de Spaanse jeugd een app is voor op de slimme telefoon om de gevaren van bosbranden onder hun aandacht te brengen.

De houtskoolboer uit Zamora zal des duivels zijn. Een eerdere door mij gedane ontdekking heb ik gedeeld met mijn reisgenoot. De kans op verspreiding van het nieuws ligt op de loer. Publicatie zou zo maar letterlijk en figuurlijk roet in het eten kunnen gooien.

Ik wandel vanochtend het strandje van La Barreta op. In de verte op een afstand van circa 150 meter staat een bord dat waarschuwt voor vallende stenen. Rechts van mij hoor ik een kort geritsel. Het geluid komt van boven. Daar is een hek aan de rand van een rotswand die de begrenzing van naar ik vermoed een tuin aangeeft op circa 40 meter hoogte.

De instinctieve reactie is de pas in te houden en naar boven te kijken. Ik zie niets maar plots valt er met een plof een steen zo groot ongeveer als een flinke kippenei voor mijn voeten op iets van tachtig centimeter afstand. Is de aarde aan het verschuiven? Zou de vuurtoren al op een andere plek staan?

Was een vogeltje de boosdoener? Of is het iemand die mij wil waarschuwen? Wetende dat ik weet dat er gitzwart geworden steentjes tussen de houtskool zitten?

Ik ben ongedeerd en tijdelijk met een iets te hoge polsslag.

Na een tijdje, het wordt wel erg warm daar aan de kust zo zonder parasol, keer ik terug naar de bewoonde wereld. Ik schop per toeval tegen een steentje. Het is vlakbij de plek van een uurtje geleden. Ik raap hem maar op en stop hem in mijn rugtas, voordat iemand anders hem verstopt tussen de houtskolen. Ik besluit om dan toch maar geen nader onderzoek te doen en geen thriller te schrijven.

Ik weet een sluiproute om sneller langs Altea te rijden. Bij de tuinplantenwinkel rechtsaf een smal straatje in. Dat doe ik en zie in de verte een fraai huis wat prachtig afsteekt tegen een wat donkere lucht en een bergmassief.

Parkeren kan hier niet dus een meter of vijfhonderd doorrijden om daar wel de auto te stallen en vervolgens teruglopen gewapend met camera en telelens.

De plantenboer heeft de handel gestaakt. Het hek zit op slot. Op het terrein geen fleurig plantje meer te bekennen. Heel sneu, er woont nog een vergeten tuinkabouter, hij is gevallen, niemand die hem nog ziet, uit het zicht van de beschaafde wereld.

Ik loop weer terug en zie een smal paadje. Geen borden privado, dus nieuwsgierig betreed ik het pad. Het komt uit bij een smal, stenen spoorbruggetje. Aan de overzijde enkele kleine huisjes. Hier wel de verbodsborden, maar er is nog een openbaar paadje. Aan het einde, ik heb wat moeten bukken voor flinke overhellende struiken, sta ik plots op een stoffig terreintje.

Er komt vanaf de andere kant een auto aan. De banden hebben het moeilijk op dit weggetje bezaaid met puntige stenen. De auto stopt en er stappen een man en een vrouw uit. Hij is door de zon gebruind, zij lijkt vers gearriveerd uit bijvoorbeeld een regenachtig eiland waar ene Elizabeth al jaren de leiding heeft. We groeten elkaar en het stel daalt af via nog een ander smal paadje.

Met het oog volg ik het stel. Ze moeten een muurtje afspringen. Hij eerst en zij treuzelt wat en mag via de rug van de man het sprongetje wagen. In de verte staat een stenen hutje. Daarvoor nog een bouwsel dat samengesteld is uit rotzooi wat je hier zo wat op elke hoek van de straat aantreft en niet in de afvalbak past.

Ze lopen niet door tot het hutje, wat ik wel verwachtte. Bij het gammele bouwsel verlies ik ze uit het oog. Zou hij daar zijn schat mee naartoe voeren? Ik veronderstel dat ze daar wonen. Uit het zicht, net als een laatste tuinkabouter bij een verlaten tuincentrum.

Ik loop wat verder, maar verderop is er weinig te beleven en keer weer om. Ik kijk nog even naar het in het landschap verstopte hutje van die twee.

Wat beter turen leert dat er verderop planten staan die wijzen op een vochtige grond. De Rio Algar is hier ook ergens in de buurt. Zijn die twee wellicht niet in het hutje maar hebben ze een waterval ontdekt of zo?

Ik volg het pad wat zij eerder volgde. Ik spring vanaf het muurtje. Ik sla linksaf bij het bijna op instortende hutje. Druk gekakel hier, het is een kippenschuurtje. Geen mens te bekennen. Ik volg het smalle pad. Plots sta ik oog in oog met een keffend hondje, die in mijn kuiten mogelijk op houtskool geroosterde kip ziet.

Daar komt de Brits ogende dame van zojuist, ze schreeuwt naar het hondje. In het Spaans. Met moeite houdt het grommende hondje zich verder in toom. Van de man tref ik totaal geen spoor. Ik spot nog een soort van volkstuintje met wederom een schamel huisje, met in de verte fraai zicht op Altea.

Ik loop verder en sta plots weer bij de stenen spoorbrug van een kwartier geleden. Een rondje rond een paar oude huisjes dus vandaag. Te weinig voor een boek, genoeg voor een verhaaltje.